Verminderde voedselinname binnen GLIM
Binnen GLIM is verminderde voedselinname of -opname één van de etiologische criteria voor ondervoeding, die in de praktijk lastig te meten blijkt. Een internationale GLIM-werkgroep heeft nu een praktische uitwerking van dit criterium gepubliceerd.
Etiologische criteria
Binnen de GLIM-diagnose is sprake van ondervoeding bij ten minste 1 fenotypisch criterium én 1 etiologisch criterium. Fenotypische criteria zijn gewichtsverlies, lage BMI en lage spiermassa. Etiologische criteria zijn verminderde voedselinname of -opname, ontsteking en ziektelast. De nieuwe praktische uitwerking behandelt het etiologische criterium verminderde voedselinname of -opname.
Verminderde voedselinname of -opname
Volgens de GLIM-werkgroep is sprake van verminderde voedselinname of -opname bij:
- een daling van de gebruikelijke voedselinname van 50 procent of meer gedurende de afgelopen week, of
- enige vermindering van de voedselinname gedurende minimaal 2 weken, of
- ernstige gastro-intestinale symptomen of “nutrition impact symptoms” (zoals dysfagie, misselijkheid, braken of diarree) als gevolg van een acute of chronische aandoening of behandeling
Gebruikelijke voedselinname
Voor het vaststellen van verminderde voedselinname verdwijnt dus de energiebehoefte als referentiepunt. In de oorspronkelijke GLIM-criteria werd de energie-inname vergeleken met de energiebehoefte. Er was sprake van verminderde voedselinname als de inname minder dan 50 procent van de energiebehoefte was gedurende minimaal 1 week. De werkgroep vindt het bepalen van de energiebehoefte niet haalbaar voor veel zorgverleners. De focus verschuift van energie naar voedselinname: hoeveel eet iemand normaal, hoeveel eet iemand nu en hoe lang is dit al zo.
Screeningsvragen
De werkgroep stelt expliciet dat slechte eetlust, matige eetlust, slechte intake en redelijke intake niet voldoende zijn om het GLIM-criterium vast te stellen. Veel screeningsinstrumenten gebruiken dergelijke termen, maar volgens de werkgroep zijn ze onvoldoende specifiek voor GLIM. De experts benadrukken dat verminderde eetlust niet hetzelfde is als verminderde voedselinname. Iemand kan een slechte eetlust hebben maar toch voldoende eten. Daarom mag eetlust niet gebruikt worden als vervanging voor het meten van voedselinname. De werkgroep introduceert 2 screeningsvragen:
Vraag 1: Heeft u gedurende meer dan 2 weken minder gegeten dan normaal?
Vraag 2: Heeft u in de afgelopen week ongeveer de helft of minder gegeten dan normaal?
Wanneer op één van beide vragen “ja” wordt geantwoord, is het criterium voor verminderde inname aanwezig.
Nutrition Impact Symptoms
Bij het bepalen van verminderde voedselopname lag de nadruk voorheen op een diagnose, bijvoorbeeld coeliakie, ziekte van Crohn of pancreasinsufficiëntie. De GLIM-werkgroep vindt de aanwezigheid van een aandoening alleen niet voldoende, er moet ook sprake zijn van symptomen die leiden tot minder opname, benutting of voedselinname. Niet alleen klassieke malabsorptie telt mee. Ook symptomen die de inname beperken vallen hieronder zoals dysfagie, kauwproblemen, misselijkheid, braken, diarree en buikklachten. Hiermee verschuift GLIM van: “Heeft de patiënt een darmziekte?” naar “Heeft de patiënt symptomen die de voedselinname, vertering, opname of benutting van voedingsstoffen negatief beïnvloeden?” Daarbij moeten 2 aspecten altijd worden beoordeeld: de duur en de ernst van de symptomen. Bijvoorbeeld: Hoe lang bestaat de diarree? Hoe ernstig is deze? Hoe vaak per dag? Hoeveel invloed heeft dit op eten of absorptie?
Bronnen: Voeding & Beweging NU en Clinical Nutrition
Gepubliceerd op 17 juni 2026
Door Angela Severs

