Optimaliseren van voedingszorg bij ondervoeding en sarcopenie
Vroege herkenning van ondervoeding en sarcopenie is essentieel voor het herstel van oudere patiënten tijdens en na een ziekenhuisopname. Dat concludeert diëtist en voedingswetenschapper Carliene van Dronkelaar, die onlangs promoveerde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Goede voeding in combinatie met voldoende beweging is de gouden combinatie, maar krijgt in de dagelijkse zorg volgens haar nog te weinig prioriteit.
Lage spiermassa
Ondervoeding en sarcopenie (verlies van spiermassa en spierkracht) komen voor bij wel 40 procent van de oudere ziekenhuispatiënten en maken herstel extra lastig. Beide aandoeningen delen het symptoom “lage spiermassa” en kunnen elkaar versterken: wie weinig eet en weinig beweegt, verliest spieren; wie spieren verliest, wordt zwakker, minder zelfstandig en gaat vaak nog slechter eten. Zo ontstaat een vicieuze cirkel, zeker tijdens en na een ziekenhuisopname.
Gouden combinatie
Met het ouder worden nemen spiermassa en spierkracht geleidelijk af. Vanaf een bepaald moment leidt dit tot fysieke beperkingen, zoals moeite met traplopen of opstaan uit een stoel. Een ziekenhuisopname kan dit proces versnellen, waardoor terugkeren naar het oude niveau van functioneren niet altijd lukt. De belangrijkste behandeling voor ondervoeding en sarcopenie is de combinatie van goede voeding en voldoende beweging, ondersteund door diëtisten en fysiotherapeuten.
Screeningsinstrumenten voldoen niet
Carliene ontdekte dat screeningsinstrumenten voor ondervoeding lang niet altijd de juiste patiënten herkennen: afhankelijk van het screeningsinstrument wordt ondervoeding in 32–68 procent van de gevallen gemist. Dat betekent dat een grote groep patiënten mogelijk niet op tijd de voedingszorg krijgt die nodig is. Een belangrijke pijler in de behandeling van ondervoeding is voldoende eiwitinname. Uit analyses van gegevens van bijna 340.000 ondervoede patiënten in Nederlandse ziekenhuizen blijkt dat dit in de praktijk lastig is. Slechts in ongeveer 20 procent van de ziekenhuizen lukte het patiënten om op dag 4 van de opname voldoende eiwitten binnen te krijgen. Verminderde eetlust hangt bovendien samen met een lagere spierkracht en een slechter fysiek functioneren, wat het risico op sarcopenie en blijvende beperkingen na ontslag vergroot.
ProIntens
Om de zorg voor deze kwetsbare groep te verbeteren, is de ProIntens-studie opgezet. In deze studie kregen oudere patiënten met ondervoeding en een verhoogd risico op sarcopenie intensieve begeleiding waarin voeding en beweging werden gecombineerd, niet alleen tijdens de ziekenhuisopname maar juist ook in de 3 maanden na ontslag. De interventiegroep kreeg extra diëtistische begeleiding, met onder meer huisbezoeken en de EiFIT-app om de voedingsinname bij te houden. Diëtisten konden daarnaast gebruikmaken van extra middelen, zoals eiwitrijke poeders.
Eiwitinname
In totaal namen 76 patiënten deel aan ProIntens. Zowel in de interventie- als in de controlegroep gingen patiënten vooruit in fysiek functioneren. Ook nam de eiwitinname toe van 0,7 naar 1,0 g/kg/dag. Toch bleven veel patiënten 3 maanden na ontslag in de gevarenzone voor het ontwikkelen van blijvende fysieke beperkingen. Er werd geen significant verschil gevonden tussen de groepen, vooral omdat de studie te klein was: er waren 125 deelnemers per groep nodig, maar uiteindelijk deden er 38 per groep mee.
Kwetsbare ouderen
De studie maakte duidelijk hoe moeilijk het is om kwetsbare ouderen langdurig te betrekken bij onderzoek. Patiënten waren vaak complex ziek, extreem vermoeid en kregen veel zorg tegelijkertijd. Sommigen wilden pas op een later moment instromen of vonden het onderzoeksprotocol te belastend. Deze ervaringen bleken internationaal herkenbaar. Dit leidde tot een raamwerk met aanbevelingen om voedingsonderzoek bij kwetsbare patiënten flexibeler en beter passend bij de klinische praktijk te maken, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor later instromen, minder bezoekmomenten en betere aansluiting tussen zorg en metingen.
Magnesium en selenium
Naast eiwit werden ook andere voedingsstoffen onderzocht die mogelijk een rol spelen bij het voorkomen of behandelen van sarcopenie. Vanuit de biologie zijn er aanwijzingen dat verschillende mineralen en micronutriënten invloed kunnen hebben op spiermassa en spierkracht. Systematische reviews laten echter alleen consistent bewijs zien voor een verband tussen calcium, magnesium en selenium en spiermassa en/of spierkracht. In een update 5 jaar later werd vooral de rol van magnesium en selenium opnieuw bevestigd; voor andere voedingsstoffen is het wetenschappelijke bewijs nog onvoldoende.
Bron: Voeding & Beweging Nu
Gepubliceerd op 25 juni 2026
Door Angela Severs

