Nieuws

 

< vorig nieuwsitem
07 december 2010

‘Waarom houden diëtisten toch zo hardnekkig vast aan calorieën?’

Door: Karine Hoenderdos

Annemarie Mol

Annemarie Mol

Prof.dr. Annemarie Mol is hoogleraar antropologie van het lichaam aan de Universiteit van Amsterdam. Afgelopen zomer schreef zij een essay in het Financieel Dagblad waarin ze pleit voor minder nadruk op het tellen van calorieën bij de preventie van overgewicht.

Wat is er mis met de huidige preventie van overgewicht?
‘Op dit moment is preventie vooral een kwestie van voorlichting. Individuele consumenten worden aangesproken op hun eetgewoonten. Consument is een intrigerend woord: het betekent tegelijk koper en eter. Als koper-eter worden we opgeroepen ons gedrag bij te stellen. “Kies gezond!” roepen de publiekscampagnes en vervolgens geven ze informatie. Maar of al die informatie er inderdaad toe leidt dat mensen beter gaan eten en drinken is nog maar de vraag. Neem informatie over calorieën. Op elke verpakking staat keurig vermeld hoeveel kilocalorieën er in het doosje zitten, en in een portie, en in 100 gram. En dan krijgen wij consumenten te horen: u hebt, laten we zeggen, 2000 kilocalorieën nodig, of, als u af wilt vallen, 1700. En dan worden we verondersteld om te tellen. Wie op gewicht is, zou zichzelf zo op gewicht moeten kunnen houden. Wie volgens deze of gene index te dik is, kan zo afvallen. Een kind kan de was doen. Maar dit werkt dus niet. En het rare is dat iedereen weet dat het niet werkt en dat het toch maar door gaat.’

Waarom werkt dit volgens u niet?
‘De oproep tot calorieën tellen, suggereert dat verstandig eten afhangt van het uitoefenen van externe controle op een grenzeloos gulzig lichaam. Maar lichamen zijn helemaal niet grenzeloos. Op een zeker moment stoppen ze uit zichzelf met eten en drinken. Dat doen ze niet als ze genoeg energie hebben getankt, maar als ze genoeg genoten hebben. Een lichaam telt geen calorieën, maar waardeert genot. Dat roept de vraag op waarvan lichamen dan wel genieten en hoe ze dat leren. Het maakt bovendien duidelijk waarom calorieën tellen wel eens contraproductief zou kunnen zijn. Straffe diëten dreigen lichamen immers precies het genot waarnaar ze zoeken, te ontnemen. Dat draagt eraan bij dat mensen van zulke diëten op termijn vaak dikker worden in plaats van dunner. Daar komt bij dat de opdracht om calorieën te tellen, al vlug leidt tot moraliseren. Meer eten dan hoort — let op de morele bijklank — heet zo immers ongepast, een al even moralistisch woord. Als mensen dat foute gedrag toch vertonen, noemen ze dat zelf vaak schuldbewust zondigen. “Ik heb gezondigd”, zeggen ze dan vol zelfverwijt tegen hun hulpverleners. Dat is jammer, want wie gezondigd heeft, voelt zich schuldig en wie zich schuldig voelt, zoekt troost. Bijvoorbeeld in eten.’

Hoe moet het dan volgens u?
‘Als je wilt dat mensen goed voor zichzelf zorgen, moet je ze niet op hun kop geven. Dan moet je goed voor ze zorgen. Tafelgesprekken in de Verenigde Staten gaan onevenredig vaak, licht vermanend, over de (on)gezondheid van het eten. In Frankrijk vragen ouders tijdens de maaltijd aan hun kinderen wat ze lekker vinden. Neem hier eens een hapje van, wat lijkt je? Wat vind je van de erwtjes vergeleken met de boontjes? Of van de slasaus van vandaag vergeleken met die van gisteren? Appel-of rabarbertaart? Zo leren kinderen spelenderwijs proeven en praten over smaak. Daarbij staat niet wat passend is voorop, niet wat hoort, maar plezier en genieten. Je weet zelf wel in welk land het verstandigst gegeten wordt.’

Hoe kan de diëtist dan voor mensen zorgen?
‘Diëtisten zouden er goed aan doen met cliënten op zoek te gaan naar hun plezier. Waar geniet je van? Hoe kun je leren om meer te genieten, of soms om anders te genieten. Bijvoorbeeld leren om ‘lekker’ te associëren met smaak en knapperigheid, in plaats van met ‘lekker vol zitten’. En dan zijn er praktische vaardigheden. Vaak hebben mensen wel kennis, maar ontbreekt het hen aan voedselvaardigheid. Proeven is niet aangeboren, dat kun je niet vanzelf, maar dat moet je leren. Dat geldt ook voor koken. Nu leren kinderen bij de biologieles calorieën tellen, maar koken leren ze niet. Hoe snijd je prei, hoe lang moet die in het water en als je roerbakt, hoe voorkom je dan dat de prei aanbrandt? Zouden diëtisten geen kooklessen kunnen ontwikkelen? De vaardigheden om inkopen te doen, zijn ook van belang. Wat is het verschil tussen deze zak aardappelen en de volgende? Hoe zie je dat? En hoe herken je een goede meloen? Je klopt erop en luistert ernaar. Maar dat vereist wel dat iemand je heeft voorgedaan hoe dat werkt en wat je moet horen. Bij alle vaardigheden geldt: oefening baart kunst. Maar waar krijgen we die oefening? Terwijl onze hoofden overvoerd worden met informatie, komen onze handen en onze zintuigen aandacht en opvoeding tekort. Ligt daar geen taak voor diëtisten? Lekker leren eten is immers geen deel van het probleem, maar van de oplossing. Samen eten, met plezier eten. Dat vereist niet zozeer meer informatie, als wel meer praktische mogelijkheden en vaardigheden. En dat staat of valt niet met het straffer aanpakken van zondaars, maar met het cultiveren van genot.’

Annemarie Mol onderzoekt met een team van jonge onderzoekers hoe eten en drinken op dit moment op diverse plekken vorm krijgt en wat daarin knelpunten en verrassende mogelijkheden zijn. Ze zou graag in contact komen met diëtisten die bereid zijn om over hun ervaringen te vertellen en, waar mogelijk, met hun werk te laten meekijken. Wie daartoe bereid is, wie graag over haar/zijn werk aan het denken gezet wordt, kan een e-mail sturen aan: Else.Vogel@student.uva.nl


Geen reacties

Voeg reactie toe (alleen diëtisten en gezondheidsprofessionals)

*

* - verplicht veld

*
*
*
*
 
 
 
 
 
 

NieuwsvoorDietisen.nl maakt gebruik van cookies. Meer informatie Sluiten