Nieuws
printvriendelijke paginaStuur bericht door
03.11.09

Voeding en sport

Door: Karine

Tijdens het vierde Voedings- en Gezondheidscongres op 30 oktober sprak sportpsycholoog Karin de Bruin over eetstoornissen in de topsport. Eetstoornissen komen veel voor, met name bij esthetische sporten (zoals kunstschaatsen en turnen), sporten met gewichtsklassen (zoals judo) en lichaamsgerichte sporten (zoals fitness en bodybuilding). Uit Noors onderzoek blijkt dat 20% van de vrouwen en 8% van de mannen in de topsport een eetstoornis ontwikkelen. ‘Toch voldoen sporters vaak niet aan de DSM IV criteria.’ zegt De Bruin. ‘Dit komt omdat ze door hun spiermassa een hoge BMI hebben of omdat ze een vrij positief lichaamsbeeld hebben.’ Uit eigen onderzoek van De Bruin blijkt dat 1 op de 4 turners wel eens opzettelijk braakt om af te vallen. Veel turners komen uit in een gewichtsklasse die onder hun natuurlijke gewicht ligt, zodat het gevecht met de weegschaal een voortdurende kwelling is. De algemeen geldende norm in turnen is “Thin is going to win”. Maar het kan ook anders. Zo heeft de bond van skischansspringers afgesproken dat wedstrijdsporters een BMI van 20 of hoger moeten hebben. ‘Een lumineuze oplossing om sporters tegen zichzelf te beschermen’, aldus De Bruin. Eetproblemen ontstaan vooral in perioden van transitie, zoals puberteit of zelfstandig gaan wonen. Ook de druk van de coach blijkt een belangrijke factor. Opvallend is dat uit onderzoek van De Bruin blijkt dat de diëtist vaak een verlengstuk is van de coach en niet als vertrouwenspersoon wordt gezien door de sporters. Overigens zegt de helft van de ondervraagde topsporters dat ze ook zonder topsport wel een eetstoornis hadden kunnen ontwikkelen.
Amely van Bavel, docent aan de Hogeschool van Amsterdam, ging nader in op methoden om de vetmassa te meten. Ze benadrukte dat de veelgebruikte tabellen oud zijn en soms gebaseerd op enkele meetgegevens. Het bepalen van het vetpercentage is een vak, zo bleek uit haar presentatie. Zowel een geavanceerde weegschaal die ook vetmassa meet als huidplooimetingen blijken afwijkingen van 3-5% te geven. Er treden zowel overschattingen als onderschattingen op. Voor lopers blijkt de 7-puntshuidplooimeting (waarbij ook het boven- en onderbeen wordt gemeten) de beste graadmeter.
Sportarts Hans van Kuijk hield een lezing over de ijzerstatus bij sporters. Hij benadrukte dat een laagnormaal Hb (rond de 8) heel gebruikelijk is bij sporters, omdat zij een hogere turnover hebben van bloedcellen en omdat het bloedvolume toeneemt en er dus sprake is van een verdunningsfactor


Scriptum communicatie over voeding